Alarm NAVO 97
4de trimester 2025
De ontwikkeling van de NAVO en haar betrekkingen met de VN
Van naleving van het Handvest tot een partnerschap onder vele andere

26 juni 1945: Ze waren in oorlog, maar streefden naar vrede...

Om vrede voor te bereiden en in de hoop dat, eenmaal vrede bereikt, een terugkeer naar oorlog voorkomen zou worden, ondertekenden vijftig landen in San Francisco het Handvest van de Verenigde Naties.

Met dit Handvest verklaarden zij vastbesloten te zijn "toekomstige generaties te behoeden voor de plaag van oorlog, die tweemaal in één mensenleven de mensheid onnoemelijk leed heeft berokkend, en opnieuw ons geloof te belijden in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en waarde van het menselijk wezen, in de gelijkheid van rechten van mannen en vrouwen, alsmede van naties, groot en klein, de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor het handhaven van gerechtigheid en het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen en andere bronnen van internationaal recht, sociale vooruitgang te bevorderen en betere levensomstandigheden te creëren in een grotere vrijheid."

4 april 1949: zij zeggen vrede te willen... maar gebruiken hun eigen waarden als voorwendsel om hun defensiebeleid voort te zetten...

Minder dan vier jaar na de oprichting van de VN richten twaalf staten, twee aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, de Verenigde Staten en Canada, en tien in West-Europa, België, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Nederland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk, al een alliantie buiten de VN om, de NAVO. Drie van deze oprichtende landen, de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, zijn permanente leden van de Veiligheidsraad van de VN, waardoor zij een veto kunnen uitspreken als de doelstellingen van hun alliantie in strijd zijn met de besluiten van de VN.

In de preambule van het verdrag bevestigen zij weliswaar “hun geloof in de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met alle volkeren en regeringen...”. Maar zij willen zich vooral onderscheiden, onder het voorwendsel van waarden die hun “eigen” zouden zijn, van andere ondertekenaars van het genoemde VN-Handvest, waaronder de USSR en China – die nochtans aanzienlijk hadden bijgedragen tot de gezamenlijke overwinning van de geallieerden. Zij verklaren ”vastbesloten te zijn de vrijheid van hun volkeren, hun gemeenschappelijk erfgoed en hun beschaving te beschermen, gebaseerd op de beginselen van democratie, individuele vrijheden en de rechtsstaat. Zij streven ernaar het welzijn en de stabiliteit in het Noord-Atlantische gebied te bevorderen. Zij zijn vastbesloten hun krachten te bundelen voor hun collectieve verdediging en voor het behoud van vrede en veiligheid...".

Daartoe baseren zij zich op artikel 51 van het VN-Handvest: “Geen enkele bepaling van dit Handvest doet afbreuk aan het natuurlijke recht op individuele of collectieve zelfverdediging, indien een lid van de Verenigde Naties het slachtoffer is van een gewapende aanval, totdat de Veiligheidsraad de nodige maatregelen heeft genomen om de internationale vrede en veiligheid te handhaven...”

Van meet af aan wordt gestreefd naar een uitbreiding van de militaire middelen: “Om de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag op een doeltreffender wijze te verzekeren, zullen de partijen, individueel en gezamenlijk, op voortdurende en effectieve wijze, door de ontwikkeling van hun eigen middelen en door elkaar wederzijdse bijstand te verlenen, hun individuele en collectieve weerstand tegen een gewapende aanval handhaven en versterken”. (artikel 3). In artikel 5 wordt bepaald: “De partijen komen overeen dat een gewapende aanval op een of meer van hen in Europa of Noord-Amerika zal worden beschouwd als een aanval op alle partijen...” en dat "indien een dergelijke aanval plaatsvindt, elk van hen, in de uitoefening van het recht op individuele of collectieve zelfverdediging, zoals erkend in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, de aldus aangevallen partij of partijen bijstaan door onmiddellijk, individueel en in overeenstemming met de andere partijen, de maatregelen te nemen die zij nodig acht, met inbegrip van het gebruik van gewapend geweld, om de veiligheid in het Noord-Atlantische gebied te herstellen en te waarborgen..."

De lidstaten bepalen dat zij de VN op de hoogte zullen brengen van de betrokken maatregelen, maar dat zij deze kunnen nemen zonder op groen licht van de VN te wachten: “Elke gewapende aanval van deze aard en elke maatregel die naar aanleiding daarvan wordt genomen, wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de Veiligheidsraad. Deze maatregelen worden beëindigd wanneer de Veiligheidsraad de nodige maatregelen heeft genomen om de internationale vrede en veiligheid te herstellen en te handhaven.”

14 mei 1955: ondertekening van het Warschaupact

Pas zes jaar na de ondertekening van het oprichtingsverdrag van de NAVO, op 14 mei 1955, en nadat West-Duitsland tot de NAVO was toegetreden, ondertekenen acht Oost-Europese landen, de USSR, Albanië, Bulgarije, Hongarije, Polen, de DDR, Roemenië en Tsjechoslowakije, het Warschaupact. Dit pact zou slechts 36 jaar standhouden; de komst van Michail Gorbatsjov als president van de USSR in 1985 opende de deur voor een reeks gebeurtenissen, waaronder de hereniging van Duitsland in oktober 1990, waardoor het grondgebied van de DDR aan de NAVO werd toegevoegd; de ontbinding van het Warschaupact op 1 juli 1991 en de zelfontbinding van de USSR op 26 december 1991.

Vanaf 1991: NAVO: de “Drang nach Osten”

Na het verdwijnen van de USSR, die zij als tegenstander had aangewezen om haar oprichting te rechtvaardigen, was de NAVO niet van plan om op haar lauweren te rusten, integendeel. In 1991 telde zij zestien leden. Vier landen hadden zich bij de twaalf oprichters aangesloten: Griekenland en Turkije in 1952, West-Duitsland in 1955, Spanje in 1982, over een periode van veertig jaar. Maar tussen 1999 en 2024 verdubbelt het aantal leden van 16 naar 32: 1999: Tsjechië, Hongarije en Polen; 2004: Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, Slowakije en Slovenië; 2009: Albanië en Kroatië; 2017: Montenegro; 2020: Noord-Macedonië; 2023: Finland; 2024: Zweden. En zij houdt alle staten in de gaten die zich uit de invloedssfeer van Rusland zouden kunnen losmaken.

Zij zal ook het geografische gebied van haar interventies uitbreiden: ver buiten de Noord-Atlantische Oceaan, en niet om een van haar lidstaten te hulp te schieten, zoals bepaald in artikel 5: zij, of sommige van haar leden, grijpen met name in  Irak (1991), Bosnië (1992-1995), Kosovo (1999), Afghanistan (2001-2020), opnieuw in Irak (2003) en Libië (2011).

Van 1949 tot 2025: acht strategische concepten.

De NAVO past haar beleid en werkwijze aan aan de internationale context en vertaalt deze in “strategische concepten”, die haar “middelen om te reageren op de huidige veiligheidsdreigingen en -uitdagingen” specificeren en haar toekomstige politieke en militaire ontwikkeling sturen, zodat zij ook klaar is om de dreigingen en uitdagingen van morgen het hoofd te bieden.

Deze acht teksten getuigen ook van de mentaliteit waarmee de NAVO de onzekerheden van de internationale betrekkingen benaderde. Zo merkt de NAVO bijvoorbeeld op over het vijfde concept, dat van 1991, vlak na de ontbinding van de USSR, dat het “niet gebaseerd is op een logica van confrontatie”. Er wordt in aangegeven dat, hoewel de veiligheid van de lidstaten het fundamentele doel van de NAVO blijft (collectieve verdediging), de organisatie ook moet werken aan de verbetering en ontwikkeling van de veiligheid in heel Europa door middel van partnerschap en samenwerking met voormalige tegenstanders. Bovendien voorziet dit concept erin dat het gebruik van kernwapens wordt beperkt tot het minimum dat nodig is om de vrede en de stabiliteit te handhaven."

In april 1999 vond er een totale ommezwaai plaats, met de interventie in Kosovo als uitgangspunt: een nieuw (zesde) strategisch concept definieert nieuwe militaire taken voor de NAVO. Terwijl de artikelen 5 en 6 van het verdrag bepalen dat het gebruik van gewapend geweld binnen de NAVO alleen is toegestaan in geval van zelfverdediging en dat dit gebruik beperkt is tot het reageren op gewapende agressie in het Euro-Atlantische gebied, gaat het nieuwe concept verder dan dit kader. Op basis van een bredere opvatting van veiligheid staat de nieuwe doctrine de strijdkrachten van de lidstaten toe andere taken uit te voeren dan die welke strikt verband houden met de verdediging van de territoriale integriteit van het bondgenootschap, namelijk afschrikkings- (of preventie-) taken, ondersteuning van crisisbeheersing, vredeshandhaving en humanitaire hulp. Dit worden “niet-artikel 5-taken” genoemd.

Dit levert een probleem op wat betreft de afstemming tussen het recht van het Handvest van de Verenigde Naties, dat de NAVO zegt te willen respecteren, en dit nieuwe strategische concept. Zoals we hebben gezien, erkent artikel 51 van het VN-Handvest het recht om geweld te gebruiken om een aanval af te slaan. Dit op voorwaarde dat “... de maatregelen die door de leden bij de uitoefening van dit recht op zelfverdediging worden genomen, onmiddellijk ter kennis van de Veiligheidsraad worden gebracht en geen afbreuk doen aan de bevoegdheid en de plicht van de Raad om op grond van dit Handvest te allen tijde de maatregelen te nemen die hij nodig acht om de internationale vrede en veiligheid te handhaven of te herstellen.” Daarentegen moet elke gewapende dwangmaatregel die niet onder zelfverdediging valt, naar behoren worden goedgekeurd door de Veiligheidsraad, ongeacht of deze maatregel wordt genomen door een of meer staten of door een regionale internationale organisatie.

Wat Joegoslavië betreft, waren bepaalde taken door de VN aan de NAVO-strijdkrachten toevertrouwd (resoluties van de Veiligheidsraad aangenomen in 1992 en 1993).

De operatie “Allied Force”, die op 24 maart 1999 door de NAVO in Kosovo werd gelanceerd en 78 dagen duurde, tot 10 juni 1999, onder het voorwendsel “het geweld te beëindigen en een einde te maken aan de humanitaire ramp die Kosovo nu treft”, vond echter plaats zonder mandaat van de Veiligheidsraad. Dit leidde tot meningsverschillen tussen de leden van het bondgenootschap, waarbij de VS elke beperking van de rol van de NAVO afwezen, of deze nu voortvloeide uit de regels van de VN of betrekking had op de geografische bevoegdheid die in haar eigen verdrag was vastgelegd.

28-30 juni 2022, Madrid: “360 graden-benadering”

Dit is de naam die de NAVO heeft gegeven aan haar “nieuwste aanwinst”, die werd geboren tijdens de top van 28 tot 30 juni 2022, drie maanden na de inval van Russische troepen in Oekraïne.

“360 graden-benadering” betekent dat het bondgenootschap van plan is om bedreigingen en uitdagingen op het gebied van veiligheid in alle richtingen te beoordelen en erop te reageren, in alle omgevingen (land, lucht, zee, cyber en ruimte) en op het hele grondgebied en in alle partnerschappen van de NAVO – dat wil zeggen 35 niet-lidstaten en een hele reeks internationale organisaties. Het bondgenootschap wil met deze partners in dialoog treden en samenwerken over een breed scala aan politieke en veiligheidskwesties, waaronder mondiale uitdagingen zoals terrorisme, civiele noodsituaties en cyberaanvallen.

De voorstanders van het afwijzen van elke beperking van de rol van de NAVO hebben hun standpunten duidelijk naar voren gebracht. Zullen er lidstaten zijn, en zo ja, welke, die zullen proberen om artikel 103 van het VN-Handvest, dat bepaalt: “In geval van strijdigheid tussen de verplichtingen van de Leden van de Verenigde Naties uit hoofde van dit Handvest en hun verplichtingen uit hoofde van enig ander internationaal verdrag, zullen de eerstgenoemde verplichtingen voorrang hebben”, niet alleen in woorden, maar ook in daden te doen prevaleren?

 

Article en français